Christus en de vreemdelingen

Predikant: ds. W. Harinck
Bijbelgedeelte: Mattheüs 25: 31 t/m 46

Gemeente, het Woord des Heeren voor de prediking is uit de eerste Schriftlezing, Mattheüs 25, daarvan de verzen 35 en 36:

Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd.

Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen.

Het thema voor de prediking is: Christus en de vreemdelingen.

We letten op drie gedachten:
1. De vreemdelingen in de Bijbel
2. De vreemdelingen in het oordeel
3. De vreemdelingen in het hart

Het gaat dus over Christus en de vreemdelingen. In de eerste plaats staan we stil bij de vreemdelingen in de Bijbel. We zullen dan luisteren naar wat de Bijbel over vreemdelingen zegt. In de tweede plaats de vreemdelingen in het oordeel. We letten dan vooral op de woorden van de Heere Jezus uit Mattheüs 25. Ten derde de vreemdelingen in het hart. We kijken dan ook naar de tweede Schriftlezing uit Efeze 2: eertijds vreemdelingen, maar nu nabijgebracht.

1. De vreemdelingen in de Bijbel

Het kan niemand ontgaan, want al weken aan een stuk bereiken ons de berichten over vluchtelingen die toestromen, uit Syrië, uit Afghanistan en uit verschillende Afrikaanse landen. We horen schokkende verhalen en we zien aangrijpende beelden van duizenden mensen die op de vlucht zijn voor het geweld in hun eigen land. Mensen die vluchten voor het gewelddadige optreden van IS. Ook hier in het westen zijn we onlangs zo ontzettend opgeschrikt door de aanslagen in Parijs.
We horen van christenvervolging en uitzichtloze omstandigheden. Vaders, moeders, kleine kinderen die in gammele bootjes de vreselijk gevaarlijke overtocht willen maken. We horen de verhalen van mensensmokkelaars die zichzelf verrijken ten koste van andermans ellende.
Hier in het westen hebben we onze eigen problemen met dat vreemde, dat onbekende. Sommigen vrezen dat de samenleving ontwricht zal worden. Anderen denken dat we onze identiteit zullen verliezen en dat het geld en banen zal gaan kosten. Er is angst voor de islamisering van Europa. We zien kerken verdwijnen en moskeeën die ervoor in de plaats komen.
Iedereen vindt er wel wat van. Onze jonge mensen hebben er hun mening over en ook de ouderen vinden er wat van.

Maar wat zegt de Bijbel? Wat zegt de Bijbel over de vreemdelingen en over de vluchtelingen? Dat is het eerste waar we in deze dienst over willen denken.
Al vanaf het begin van de Bijbel, al vanaf de eerste bladzijden van de Bijbel is er een vluchtelingenprobleem. Adam en Eva, het eerste mensenpaar, worden vanwege hun opstand tegen God, verdreven uit het paradijs. Sindsdien is er eigenlijk één grote vluchtelingenstroom op gang gekomen.
Als we verder lezen in het boek Genesis, horen we van Abraham, Izak en Jakob. Vreemdelingen in een vreemd land. De stamvaders van het volk Israël moeten vluchten, uitwijken naar Egypte. De ene keer door oorlog, de andere keer vanwege hongersnood.
Jongens en meisjes, ook Mozes, de geadopteerde zoon van Farao’s dochter moest vluchten. Bij Mozes ging de bloedband spreken. Hij ging kijken bij zijn broeders, de Hebreeërs. Hij ziet hoe zij verdrukt worden en dan heeft hij de liefde van de Heere voor dat broedervolk in zijn hart.
Als er een keer een handgemeen is tussen een Egyptische slavendrijver en een Joodse slaaf, dan neemt Mozes het voor zijn broeder op en hij slaat de Egyptenaar dood. Dan wordt Mozes ook een vluchteling. Hij moet nu weg uit Egypte en moet als schaapherder, als vreemdeling wonen in Midian.

David, die koning zal worden van Israël, moest vluchten voor Saul. Hij was zijn leven niet meer zeker.
De Heere Jezus Zelf, de meest bijzondere vluchteling uit de Bijbel, moest kort na Zijn geboorte vluchten voor de vreselijke kindermoordenaar, Herodes. Vluchten voor de kindermoord te Bethlehem. De Heere Jezus was Zijn gehele leven op de aarde een vreemdeling. Denk eens aan wat de Heere Jezus zegt: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Matth.8:20).
Aan het einde van Zijn leven verlaten ze Hem allemaal, ook Zijn volgelingen, Zijn discipelen. Ze vluchten allemaal van Hem weg en Hij blijft alleen over in de diepten van Golgotha’s kruis.
Wat zien we gebeuren met Zijn volgelingen, met de christelijke gemeente, na Zijn opstanding uit de dood? Zij worden vanaf het begin vervolgd, verdrukt.
Wat is dat actueel, ook vandaag, als we denken aan de verdrukte, aan de vervolgde kerk. Er is nog nooit zoveel christenvervolging geweest als nu.
Weet u wat ook opvalt, als het over vreemdelingen in de Bijbel gaat? We zien dat de Heere het in de boeken van Mozes in alle bepalingen en in alle voorschriften en in de wetten, zo vaak voor de vreemdelingen opneemt.
We zien dat in Leviticus 19 vers 33 en vers 34: En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, gij zult hem niet verdrukken. De vreemdeling die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland; Ik ben de Heere uw God.
God zegt: ‘Ik ben de Beschermer van de vreemdelingen. Daarom, Israël, zult u ze liefhebben en zult u ze niet wegsturen. U zult hen moeten helpen. In Mijn Naam zult u hen goeddoen.’

We lezen van Rachab, de Kanaänitische uit Jericho. We lezen van Ruth de Moabitische, van Obed-Edom de Gethiet die de ark des Heeren in zijn huis nam.
We lezen van vreemdelingen binnen de poorten. Dat betekent dat de vreemdelingen ook in de steden van Israël woonden. Hoe ze daar kwamen? Van sommigen weten we dat; van Rachab en van Ruth. Van anderen weten we dat niet.
Waren zij gevlucht voor de honger of voor het oorlogsgeweld? Of was het vanwege de handel of voor het seizoenswerk dat op het land, op de akkers te doen was?
Of woonden zij onder Israël omdat zij gebroken hadden met de valse goden? Was er mogelijk een overtuiging in hun hart geboren dat Israëls God de enige, de ware God is? Dat ze Hem wilden dienen met hun gehele hart?

Als u er op let, leest u het dikwijls in de Bijbel, dat ze er geweest zijn onder Israël. Ze waren er voortdurend. In de Bijbelboeken Leviticus, Numeri en Deuteronomium staan allerlei bepalingen die, om het zo te zeggen, de rechtspositie van de vreemdeling in Israël verankerden. Zij hadden recht op gelijke behandeling in Israël.
Als zij problemen hadden, dan mochten ook zij een beroep doen op de oudsten, op de leiders van Israël. Dan diende hun zaak ook in de poort waar de rechtszaken werden behandeld. De vrijsteden, die zo’n belangrijke functie hadden, stonden ook open voor de vreemdelingen. Onder Israël mochten zij niet gediscrimineerd en niet achtergesteld worden.

Er waren delen van de oogst voor de armen en voor de weduwen. De hoeken van het land mochten niet worden geoogst, dat was voor de armen, voor de weduwen en de wezen. De Heere heeft bepaald dat dit ook voor de vreemdeling in Israël was.
Israël werd er steeds aan herinnerd dat zijzelf ook vreemdelingen waren geweest in een vreemd land. Er was verdrukking in Egypte, wel 250 jaar lang.
De Heere zegt: ‘Ik ben de Heere uw God. Ik heb u daar gevonden. Ik heb u daar uitgeleid. Ik heb u gebracht in dit beloofde land waar u nu thuis bent.’ Voor Israël moest de verlossing uit de slavernij van Egypte een motief zijn om vreemdelingen in hun land op te vangen.

De Heere had het land als een erfelijke bezitting aan Israël gegeven. Maar dat had ook consequenties voor de vreemdelingen in Israël. De vreemdeling mocht geen grond bezitten in Israël. Zij mochten ook geen vreemde goden aanbidden en geen altaren voor die vreemde goden bouwen. Zij mochten de Heere, de God van Israël, niet lasteren. Zij moesten ook de voedselwetten van Israël respecteren en in acht nemen. Zij moesten zich aanpassen, zou je zeggen, aan de levensstijl die God vond horen bij Zijn volk.
Als het Pasen was in Israël, werd er grote schoonmaak gehouden en moest al het zuurdesem weg. Dat gold ook de huizen van de vreemdelingen. Ook daar moest het zuurdesem weg.
Zij mochten wel in het voorhof van de tempel komen, maar er was wel een apart gedeelte voor de vreemdelingen.
Paulus zegt later, in Efeze 2, dat door de verdiensten van Christus de scheiding tussen Israël en de vreemdelingen is weggenomen. De middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende (vers 14). Maar onder het Oude Testament was er die afscheiding, een aparte voorhof.

Zo stelde de Heere dus ook allerlei eisen aan de vreemdelingen. Als zij zich daar aan hielden, werd Israël geroepen hen goed te behandelen.
Zo zien we in het Oude Testament dat de Heere een Ontfermer is voor de armen, de weduwen en de wezen, en dat Hij ook een Ontfermer is van de vreemdelingen.
Israël moet door hun manier van leven aan de vreemdeling laten zien dat het goed is om de Heere te dienen. Zij moeten als het ware de handen zijn van de ontfermende God.

Wat is de Bijbel actueel! Ook als we ons als kerk, als christelijke gemeente afvragen wat de Heere nu van ons vraagt. Nu gaat het immers ook over de vreemdelingen, over vluchtelingen van oorlogsgeweld. Dan wordt het heel persoonlijk. Wat vraagt de Heere  van mij? Want dan komen we bij de woorden van de Heere Jezus, in Mattheüs 25; de vreemdelingen in het oordeel.

Laten we eerst zingen uit Psalm 87, een psalm waarin het over de vreemdelingen gaat en dat zij er bij horen. Psalm 87, het tweede vers:

Men spreekt van u zeer herelijke dingen,
O schone stad van Isrels Opperheer!
’k Zie Rahab, Ik zie Babel, tot uw eer,
Bij hen geteld die Mijne grootheid zingen.

2. De vreemdelingen in het oordeel

Het zijn indringende woorden die de Heere Jezus meegeeft in Mattheüs 25. Daar spreekt de Zaligmaker over de dag van het laatste oordeel. De dag van de Zoon des mensen. Dan zal de Heere Jezus komen en Hij zal doen wat een herder onder Israël deed: de schapen en de bokken uit elkaar halen.
De Zaligmaker vertelt hoe die schapen een plaats krijgen aan de rechterhand van de Koning en de bokken aan Zijn linkerhand. De plaats aan Zijn rechterhand betekent het eeuwige leven en de plaats aan Zijn linkerhand de eeuwige straf.
Eigenlijk begint de Heere Jezus over deze dingen al te spreken in het hoofdstuk hiervoor, in Mattheüs 24, als de discipelen Hem vragen: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk zal het teken zijn van Uw toekomst en van de voleinding der wereld? (vers 3) Dan gaat de Heere Jezus spreken over de tekenen van de eindtijd. Hij noemt oorlogen, aardbevingen, verleidingen, vervolging en verdrukking voor de christenen. Hij zegt ook dat eerst het Evangelie onder alle volken van deze wereld gepredikt zal worden.
Als dat allemaal gebeurd is, dan zal Hij komen op de wolken van de hemel. Hij zal Zijn engelen uitzenden met dat grote geluid van een bazuin en de uitverkorenen worden bijeengebracht in Zijn Koninkrijk.

In hoofdstuk 25 vertelt de Heere Jezus daarbij dan twee gelijkenissen. Eerst over de tien bruidsmeisjes die op de bruidegom wachten. Dan over de man die een grote reis gaat maken en zijn eigendommen achterlaat bij drie bedrijfsleiders.
Steeds weer klinkt de oproep: ‘Bent u dan bereid, voorbereid op Mijn dag, voorbereid op Mijn komst?’ Hij zal plotseling komen. Het zal een gewone dag zijn. Een werkdag, een schooldag, een vakantiedag, een dag waarop mensen bezig zijn met boodschappen doen, op school met rekenles of taalles, mogelijk met files op de rijksweg.
Dan ineens zal de bazuin klinken. Van alle kanten klinkt het bazuingeschal en Jezus zendt Zijn miljoenen engelen uit om alle mensen, alle volken te vergaderen voor Zijn troon.
Geloof maar dat alle mensen gericht zullen zijn op die glorierijke troon met de Heere Jezus!

Het gaat eigenlijk ons voorstellingsvermogen te boven. Koning Jezus, Die des mensen Zoon genoemd wordt, Hij komt om te oordelen de levenden en de doden. Dan maakt Hij de scheiding. Een tijd lang leek het alsof er nergens een verschil was, maar er komt een scheiding.
Vijf wijze en vijf dwaze bruidsmeisjes. Twee voortreffelijke en één nutteloze dienaar. De schapen aan Zijn rechterhand en de bokken aan Zijn linkerhand, en niets meer daar tussen. Het ene of het andere.

Zullen wij Hem dan kennen? Zullen we Hem dan herkennen als Hij komt? Zullen we dan zeggen, als Hij komt: ‘Dat is mijn Jezus, mijn Redder, mijn Zaligmaker! Ja, dat is Hij Die in de nood mijn Redder is geweest. Dat is de Behouder van mijn leven, mijn Goël, mijn Borg’?
Hoe zullen we Hem ontmoeten in die dag? Voor onbekeerden zal Hij Rechter zijn. Diezelfde Jezus die hier en nu in het Evangelie, aan zondaren Zijn vriendschap biedt. Zal Hij u dan in uw ogen kijken en zeggen: ‘U wilde niet, u wilde niet dat Ik Koning over u zou zijn’?

De Heere Jezus geeft hier in de gelijkenissen van Mattheüs 25 geen totaalbeeld van het laatste oordeel. Eén ding wordt er vooral naar voren gebracht. Dat punt moeten we helder zien te hebben. Want daar weet Hij precies wie Hij voor Zich heeft. Hij kent het hart, Hij doorgrondt de gedachte, hij weet wat een ieder mens is. Hij weet welke weg u bent gegaan en welke keuzes u hebt gemaakt. Hij weet wat u wel deed en wat u niet deed. Of u de weg van het geloof bent gegaan, of dat u uw eigen weg bent gegaan.
Schapen en bokken. Een middenweg is er niet.
Eerst richt de Heere Jezus zich tot degenen aan Zijn rechterhand; ‘Kom in, beërf het Koninkrijk!’ Eeuwig voordeel, eeuwig leven.
Dan tot de andere kant: ‘Ga weg van Mij!’ Eeuwig oordeel, eeuwige vloek en pijn.

Waarom spreekt Jezus deze woorden? Waarom staat dit in de Bijbel? Om wakker te schudden. Niet om wanhopig te maken, niet om bang te maken, maar om het bed van je leven eens op te schudden. Hij wil dat we Hem zullen zoeken, dat we vrede vinden bij God. Dat we Hem, Die straks de Rechter zal zijn van levenden en van doden, in die grote dag zullen herkennen als onze Redder, onze Zaligmaker. Het staat ook in de Bijbel als oproep tot bekering, om ernst te maken met het zoeken van de Heere.

Dan maakt de Heere Jezus duidelijk hoe Hij oordeelt. Het zal zo anders zijn dan we dachten, dan we verwachtten.

Zes dingen over wat je hebt gedaan of niet hebt gedaan:
– Ik was hongerig.
– Ik was dorstig.
– Ik was een vreemdeling.
– Ik was naakt.
– Ik was ziek.
– Ik was gevangen.

Dan kijkt de Heere Jezus eerst, vol liefde, vol ontferming en genade naar de schapen aan Zijn rechterhand: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (vers 34).
Hij zegt: ‘Die erfenis staat op uw naam en die erfenis is wettig, die is eerlijk voor u bestemd, want voor u is de zegen van de Vader.’
Ik denk dat de Heere Jezus daarmee bedoelt de bron van de zaligheid, de verkiezende genade, gegrond in de verdiensten van de Zoon van God, in de Heere Jezus Christus.

Gemeente, als u die woorden leest, moet u maar denken aan de blijdschap van Koning Jezus. Wat zal dat een vreugde voor Hem zijn om hen daar te zien die Hij kocht, die Hij vrijkocht. Hoe zij ingaan om God eeuwig te loven en te prijzen. Wat roept Hij hen een heerlijk welkom toe: ‘Kom!’
Waar komt die blijdschap van de Heere Jezus vandaan? Waarom dat hartelijke welkom? Wat betekenen zij dan voor Hem? Want zo moeten we de woorden van de Heere Jezus lezen. Hij ziet hen daar aan Zijn rechterhand. Wat betekenen zij veel voor Hem. Dat zegt Hij.
Hij zegt: Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd (u hebt Mij gehuisvest). Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen.
Dan keert de Heere Jezus Zich tot degenen aan Zijn linkerhand en dan klinkt het ook: ‘Ik was hongerig, Ik was dorstig, maar u hebt Mij niet te eten gegeven, niet te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling, maar gij hebt Mij niet geherbergd. Niet gekleed, niet bezocht en bent niet tot Mij gekomen.’

Gemeente, de Heere Jezus spreekt zo concreet, alsof Hij er Zelf, in eigen persoon, bij was en een beroep op ons heeft gedaan.
Maar noch degenen aan Zijn rechterhand, noch degenen aan Zijn linkerhand kunnen het zich herinneren dat zij de Heere Jezus in die omstandigheden van honger, dorst en vreemdelingschap daarin hebben gezien. ‘Heere, wanneer dan? Wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien en geherbergd?’ U proeft hier de onzekerheid en ook de verbazing. Waar was U dan? Was U dan incognito onder ons?

De sleutel ligt in de gelijkenis. We lezen in vers 40: Voorwaar zeg Ik u, voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.
En in vers 45: Voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan.
Dat de Heere Jezus Zich nu zo vereenzelvigt met die armen, met die gevangenen, met die vreemdelingen, dat Hij daarin spreekt van Mijn minste broeders. Wie zijn dat toch, die minste broeders, die onaanzienlijke broeders, die vergetenen, waar Jezus hier van spreekt?
Het zijn Zijn volgelingen, Zijn lievelingen. Hij heeft ook van hen gezegd: Die u ontvangt, ontvangt Mij (Matth.10:40). En ook: Wie een van deze kleinen (allerminsten) te drinken geeft alleenlijk een beker koud water, in de naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen (Matth.10:42).

Gemeente, begint u te zien wat de Heere Jezus hier leert? Het gaat over de daden van liefde aan de minste van Zijn broeders, aan de volgelingen van de Heere Jezus Christus. Het gaat ook breder, want de Zaligmaker heeft geleerd dat we de armen en de vreemdelingen altijd met ons hebben.
Als we geroepen worden om goed te doen aan allen, hoe gaan wij dan kijken naar de vreemdeling en naar de gevangene? Hoe gaan wij dan over vluchtelingen denken en spreken? Wat gaan wij dan doen en wat gaan wij dan laten? Kijken we dan met de ogen van de Heere Jezus? Ik had honger, Ik had dorst, Ik ben een vreemdeling geweest. Ziet u Mij in de nood van die ander?
Te eten geven, te drinken geven. Nee, het gaat niet om het grote, het gaat om het oprechte, om het kleine, brood en water, kleding en onderdak.

Dat heeft allemaal met dat oordeel te maken. De vreemdelingen, straks in het oordeel… De manier waarop ik nu met vreemdelingen omga, komt dus straks terug als Jezus het boek van mijn leven open doet. Denk daar toch aan! Elke zondag klinken de woorden: ‘Vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden’. Hoe zal ik dan voor Hem verschijnen?

Christus en de vreemdelingen. Wat de Bijbel ervan zegt, wat de Heere Jezus ervan zegt. Dan komen we bij ons derde punt, dan komen we bij ons eigen hart; de vreemdelingen in het hart.

Maar we zingen eerst Psalm 87, het derde vers:

De Filistijn, de Tyriër, de Moren,
Zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht;
Van Sion zal het blijde nageslacht
Haast zeggen: ‘Deez’ en die is daar geboren.

3. De vreemdelingen in het hart

Wat maakt nu het verschil tussen schapen en bokken? Wat maakt het verschil, aan Jezus’ rechterhand of aan Jezus’ linkerhand? Want het is ons nu duidelijk: het komt niet vanzelfsprekend goed.

Maar kunnen we de zaligheid dan verdienen? Is dan christelijke barmhartigheid het criterium, is dat dan de test? Nee, want ook de rechtvaardigen aan Zijn rechterhand waren zich het niet bewust. Wat maakt dan het verschil?

U kunt alle dingen die de Heere Jezus noemt, terugbrengen tot dat ene, dat is de liefde. De liefde tot God en de liefde tot uw medemens. De liefde van het hart die vrucht is van het geloof. Het geloof dat door de liefde werkt is meer dan medemenselijkheid, dat is meer dan humaniteit en dat is meer dan plicht.
Het geloof dat door de liefde werkt is vanuit God, is vanuit Christus. Liefhebben met je gehele hart, omdat Hij mij heeft liefgehad. Dan wordt het nieuw vanbinnen, dan wordt het nieuw in je hart. Dan ga je anders denken over God en dan ga je anders denken over jezelf, over de mensen, over je leven en over de vreemdelingen.
Dan ga je jezelf kennen als zo’n vreemdeling. Vervreemd van God, vervreemd van Christus.
Zo spreekt de apostel Paulus de gemeente te Efeze aan in Efeze 2 vers 12: Dat gij in die tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
Gemeente, denk er eens over na. Wat een beklagenswaardige toestand! In dit leven, vol van moeite en zorg, in dit leven met sterven en dood, en dan zonder God! Zo alleen, zo eenzaam en zonder troost, zonder toevlucht.
Zo spreekt Paulus in Efeze 2 van vreemdelingen. Dit is het oordeel van de Bijbel over de nakomelingen van Adam. Allemaal vreemdelingen. Vreemdelingen van God en van Christus. Dat is het leven van miljoenen mensen in de wereld. Ook van miljoenen mensen in Nederland. Dat is ook het leven van duizenden mensen in de kerk. Wel gedoopt, wel uit de Bijbel lezen en bidden, en toch vreemdeling van God en vreemdeling van Christus. Dat is wat de Bijbel zegt, dat het zo is. Het ergste is dat we het niet zien. Dat we er zo blind voor zijn. Dat we het niet beseffen.

Hoeveel preken hebt u al over u heen laten komen? Hoeveel roepstemmen en hoeveel liefdevolle nodigingen hebt u zomaar over u heen laten komen? Ik een vreemdeling? We zien het niet en beseffen het niet! We zijn liefhebbers van onszelf, pure egoïsten, zonder God, zonder Christus.
In de dag van de bekering wordt dat werkelijkheid. Dan komt er een beleven, een gevoelen dat u een vreemdeling bent, dat u zonder Christus bent. Dat is het allerergste wat er is.
Jonge mensen, dat is nu echt het allerergste, zonder de Heere Jezus, zonder Christus te zijn. Geen Zaligmaker te hebben, geen Borg te hebben voor je schuld. Geen bloed te hebben waarachter je schuilen kunt. Dat is het allerergste. Dan ben je vervreemd van God en dan ben je geen burger van dat Koninkrijk.
Dan sta je buiten het verbond en dan heb je geen deel aan Gods beloften. Dan heb je geen hoop, geen verwachting. Wat zal dan je toekomst zijn?

Als dat werkelijkheid wordt, wat voel je jezelf dan veraf. Wat brengt dat een smart en een nood in je ziel. Dan wordt de roep geboren: ‘Heere, hoe moet dat nu met mij? Is er nog een weg, is er nog een middel ter ontkoming? Hoe zal ik de verdiende straf ontgaan en genade vinden bij God?’
Dan ga je de vreemdelingen, de vluchtelingen van vandaag begrijpen vanuit je eigen nood en dood. Dan stel je jezelf de vraag: ‘Komt dat ooit nog goed met mij en kom ik ooit nog thuis?’
Wat is daar nu voor nodig, dat zo’n vreemdeling die van God is vervreemd en ver is van de zaligheid, weer thuiskomt bij God? Wat is daar nu voor nodig voor u en voor jou? Daar is het bloed van de Heere Jezus Christus voor nodig. Daar is de Zaligmaker voor nodig. Hij is niet ver van God. Hij is niet ver van het verbond en van de beloften. Wij wel, Hij niet!
Hij slaat de brug. Hij brengt vreemdelingen weer thuis bij de Vader. Daartoe kwam Hij in de wereld. Toen is Jezus een Vreemdeling geworden om zondaren nabij te brengen. Die eertijds verre waren, Hij brengt hen nabij door Zijn verzoenend bloed, door Zijn reddende gerechtigheid, door Zijn voldoening, door het werk dat Hij volbracht heeft.

Hier moeten vreemdelingen soms door langdurige procedures heen, schier eindeloze ambtelijke molens. In ieder geval moeten zij eerlijk zijn over hun afkomst. Alle papieren moeten op tafel.
Dat is nu ook nodig tussen God en ons. Dat je eerlijk bent en niets meer achterhoudt. Dat alle papieren van je verzondigde leven op tafel komen. Dat u voor God gaat belijden wie u bent en waar u vandaan komt. Dat u geen recht meer hebt en dat u niets meer hebt om te claimen, omdat alles verzondigd is.
Dan zal het bij God niet lang duren. Dan wil de Heere Jezus Christus het voor zulke ellendigen en verlorenen opnemen. Dan schenkt Hij de reddende kracht van Zijn bloed en van Zijn offer. Dan mogen ellendigen en verlorenen zien dat er kracht is in Hem om te reinigen en met God te verzoenen en dat Hij de schuld wegneemt. Dat Hij de veroordelende en vloekende wet tot zwijgen brengt. Dat Hij de vrees wegneemt uit uw hart. De Heilige Geest zet het bloedstempel van de Heere Jezus Christus op uw hart en op uw leven. Zo wordt u er bij gezet. Zo wordt zo’n vreemdeling er bij gehaald.
Dat is zo bijzonder, zo vol en zo rijk. Efeze 2 zegt ons: ‘Niet meer vreemdelingen, niet meer bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God.’ Als een verloren zoon thuisgekomen bij de Vader, inwonen bij God.

Het kan niet anders dan dat het wat doet bij een mens. Die liefde van God maakt je tot een ander mens. Dan gaan we leven uit een andere Bron en dan gaat de liefde dringen. Het geloof gaat werken. Het doet je op een andere manier staan en kijken in de wereld.
Zoals Israël onder het Oude Testament werd geroepen om de ontfermende handen van God te laten zien, zo wij nog veel meer. De muur is weg. De scheiding is weg. Eén Heere, één geloof en één doop. Eén God en Vader over allen, boven allen en in allen.

Christus en de vreemdelingen.
De Bijbel, de Heere Jezus Christus, in Zijn spreken over het oordeel, het heeft ons wat te zeggen. Hoe is het dan in ons hart? Het Evangelie laat ons zien hoe Christus met die vreemdelingen handelt die verre waren. Hij brengt hen nabij.
Als u een echte christen bent, dan komt dat ook uit in uw houding tegenover de vreemdelingen. De Heere Jezus zegt: ‘Ik was een vreemdeling en toen hebt u Mij geherbergd, toen hebt u Mij onderdak gegeven, toen hebt u Mij een thuis gegeven.’ Dan zeggen de rechtvaardigen: ‘Maar hoe dan, Heere, en wanneer dan?’ Ze zijn het zich dus niet bewust. Ze hebben, met eerbied gezegd, geen lijstjes bijgehouden.
Dan zal de Heere, in het oordeel, zeggen: ‘Toen u die man, toen u die vrouw uit Syrië, toen u die eenzame moeder met haar kleine kinderen, of toen u die gevangene opzocht, toen u tijd maakte, een kopje thee met hen dronk, toen u iets van die liefde liet zien en misschien ook wel een goed woord van Mij hebt mogen spreken, daar was Ik bij. Dat hebt u aan Mij gedaan. Daar hebt u Mijn liefde en Mijn beeld getoond. Daar hebt u laten zien dat u niet meer van uzelf bent.’
Maar tegen de anderen zal Jezus zeggen: ‘U hebt het niet gedaan! Ik heb u niet gezien. Ik heb u gemist. Ik was een vreemdeling en u was er niet. U hebt Mij niet geherbergd. Uw leven was een eigenzinnig leven. U was alleen maar op uzelf gefocust en u leefde ook alleen maar voor uzelf. U had niets voor Mij over. Geen liefde en geen hart voor Mij.’
Gemeente, dat zal het zijn. Zo zal de grens, de scheiding vallen. Aan welke kant zal ik dan staan? Bent u dan nog een vreemdeling, een vreemde van God en een vreemde van uw eigen hart? Kent u dan geen schuld en voelt u dan geen smart? Vraagt u dan niet: ‘Mijn ziel, doorziet gij uw lot? Hoe zult u toch rechtvaardig verschijnen voor God?’
U hoeft geen vreemdeling voor God en voor de Heere Jezus te blijven! Dien uw vraag maar in. Vraag maar asiel aan! Als zo’n van God vervreemde, als zo’n arme, verloren zondaar. Roep dan maar om genade en om de ontfermingen van God.

Ja, strijd om in te gaan en behouden te worden!

Jezus zegt: En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. Dan zullen zij zich eeuwig verwonderen. Want het is alles uit Hem en door Hem en tot Hem.

Amen.

Slotzang: Psalm 82: 2

Toont aller goden God te vrezen;
Doet recht aan armen en aan wezen;
Rechtvaardigt hem die billijk klaagt,
Verdrukt of arm uw hulpe vraagt;
Verlost geringen uit hun lijden,
En wilt behoeftigen bevrijden;
Rukt z’ uit der goddelozen hand;
Gerechtigheid verhoogt een land.